Ode 1, acrylverf op doek, 36 x 28
cm,
2007
Ode
3 acrylverf op doek, 35 x 45 cm, 2007
Shaping the
infinite, acrylverf op doek
De Ontheven Visuele Intelligentie
De verschijning van een kunstwerk in zijn artistiek proces is vanzelfsprekend en doelmatig in zijn bestemming als kunstwerk, op een zodanige wijze dat het werk zich zo zuiver mogelijk, eigen aan zich zelf, zijn individuele/particuliere klank manifesteert.
Immaterieel
als gegeven van de zich voorstellende geest doch op een dusdanige wijze
dat zij zich als een onafhankelijke ontologische verschijning
manifesteert voor het zuiver aanschouwende bewustzijn. Of in de
herinnering zoals sterren in de nacht verschijnen zonder materiële
existentie als zuiver licht waarvan de materiële concentratie al
vergaan is. Dit werkt ook omgekeerd namelijk in het artistiek
bewustzijn verschijnt het licht, welke een specifieke kleur kan hebben,
voor de uiteindelijke materialisatie die dan het licht als specifieke
kleur weerspiegelt in het particuliere kunstwerk, dat wanneer geslaagd
deze specifieke kleur, de oorsprong van het kunstwerk ten volle
weergeeft.
Joost de Jonge 2004
Oppositionele-kleur-prominentie/De ha rmonie van het afzonderlijke (Non Resolving Dissonent)
Een meditatieve vibratie van een kleur die middels de contemplatie van de receptor leidt tot het ervaren van evenwicht als uitdrukking van het Hogere. De onderllinge betrekkingen tussen een “kleur-dissonant” owel een prominent aanwezige kleur is toch zo bepaald dat ondanks datdeze het sterkst in het werk aanwezig is, zij altijd harmonisch samenlkinkt met het geheel van de compositie: ofwel de “resolvement”vindt plaats in het opgaan van de kleur in de herinnering en het aanwezige werk; deze verinnerlijking is het punt waar nu de kleur ofwel het kunstwerk gaat klinken. de reminiscentie van de kleur verplaatst zich hier naar het lichaam van de beschouwer->innerlijke aaneenschakeling middels diepe gewaarwording van de kleur; innerlijke resonantie van de spirituele waarde, die middels het bewustzijn van de kunstenaar daaraan is verleend.
Joost
de Jonge 2004
Het intrinsiek stijlbesef van de kunstenaar
De kunstenaar positioneert zich middels zijn kunstzinnig besef en doet dit zelden middels de eenvoudige binaire stellingname mooi-niet mooi, maar zal veel eerder kijken naar de relevantie van een specifiek formeel gegeven, in samenhang met het spirituele en intellectuele uitgangspunt, voor de kunstzinnige uitdrukking als geheel. En zal op basis hiervan een gedeelte van een kunstwerk als meer of minder geslaagd beschouwen.
Hieruit volgt de mogelijkheid dat een specifiek formeel aspect; welke kan zijn tonaliteit, de zichtbaarheid van de penseelstreek, het glacis, het afzetten van bepaald°e vormen tegen elkaar, een bepaald artistiek begrip overbrengt.
De reflectie over de gevonden beeldende oplossing resulteert in een veralgemenisering van deze oplossing en wordt tot een inzicht in beeldende relaties herleidt en schept zo de mogelijkheid tot soortgelijke toepassing in het eigen werk.
Een kunstenaar plant vaak series en heeft een op ontwikkeling gericht streven dat hij middels zijn kunstwerken realiseert. Een kunstwerk is meestal een schakel in een lange keten van kunstwerken die deel uitmaken van een indivi dueel streven naar artistieke groei en kan bestaan vanuit een gewaar zijn van zijn capaciteiten en nog te vormen meesterschap, dit middels het waargenomen potentieel in eigen werk; zowel in vorm als in technische beheersing.
Door vast te houden aan een specifiek formeel aspect, ofwel een beeldende oplossing en deze uit te vergroten ontstaat een uitgesproken stijl en de benadrukking van indiviiduele kwaliteiten. Dit process noem ik artistieke zelfexplicatie. Dit ontstaat gewoonlijk pas nadat er tussen kunstenaar en zijn kunstwerken een zeer intensieve dialoog met de kunstwerken van oude en hedendaagse meesters heft plaatsgevonden: interactieve systeemdialectiek. Hieruit volgt de selectie van een deelgebied: de artistieke thematiek; de realisering van het zelfbewustzijn van de kunstenaar staat hierbij in direct verband met het vinden van een artistieke waarheid die verder wordt verzelfstandigd.
Het kunstwerk is dus in eerste instantie als visueel gegeven en materieel gegeven duurzaam.De herhaling/bestendiging van een ontdekte artistieke waarheid vormt een constante: de uitdrukking van een innerlijk gerealiseerd evenwicht in samenhang met de artistiek gevonden waarheid.Het kunstwerk is in deze volwassen fase, de periode waarin een kunstenaar de identiteit van zijn kunstenaarschap heeft gefundeerd, altijd serieel daar het thematisch en formeel een zelfde doelstelling heeft.
De bevestiging van de persoonlijke aanleg vindt plaats in de ontwikkeling van een persoonlijke vorm, stijl en techniek. De benadrukking van datgene waaruit iemands persoonlijkheid spreekt wordt al doende in een universele abstracte vorm getransponeerd. Deze heeft zijn constituering in kunstzinnige realisaties die plaats vinden in het creatieve proces. Zoals de fundamentele werkelijkheidswaarde van het object ligt in het ding op zich; zijn individuele bestaan, is ook de uiteindelijke staat van het kunstwerk zijn individuele verschijning, die in deze individuele verschijning zijn universele oorsprong realiseert door een zo groot mogelijke mate van oorspronkelijkheid.
Het kunstwerk bestaat dus als onderdeel van zijn eigen historie als beeldende en verwerkelijkte uitkomst van deze historie en is alleen als beeldend gegeven van waarde, wanneer zij handelt over of bestaat uit het reveleren van artistieke waarheden, die gezien kunnen worden als uitdrukking van een hoger, geestelijk bewustzijn.
Joost de Jonge 2004
JOOST
DE
JONGE:NEO-MODERNE
SYNTHESE
Door
Peter
Frank
De
schilderijen
van
Joost
de
Jonge
–
licht,
ritmisch,
sensueel
–
maken
op
het
eerste
gezicht
een
levendige,
vanzelfsprekend
geconcipieerde
en
toegankelijke
indruk.
Achter
hun
onmiddellijke
aantrekkingskracht
gaat
echter
een
complexe
filosofische
en
kunsthistorische
werkelijkheid
schuil.
De
werken
zijn
producten
van
een
vrij
doorwrochte
redenering
en
worden
gedreven
door
diep
doorleefde
filosofische
opvattingen,
esthetische
overwegingen
en
kunsthistorisch
bewustzijn.
Afgaande
op
de
eerste
indruk
lijkt
De
Jonge’s
kleurenpalet
ontworpen
voor
het
opwekken
van
een
kinderlijke
feeststemming,
een
naďeve
vrolijkheid.
Maar
bij
nadere
beschouwing
blijkt
het
effect
van
zijn
kleurwaardes,
kleurcombinaties
en
de
distributie
ervan
over
ieder
doek
in
toenemende
mate
weerbarstig
en
scherp,
zelfs
grenzend
aan
die
van
een
onverkwikkelijke
visuele
dreiging.
De
chroma’s
neigen
niet
werkelijk
naar
het
zoete,
maar
naar
het
zure,
bijtende;
de
opeenvolging
van
kleuren
lijkt
onmiddellijk
willekeurig
en
gestaag,
alsof
De
Jonge
bezig
was
een
elementair
decoratief
patroon
op
te
zetten
en
dit
vervolgens
doelbewust
verstoort.
Hoe
oogstrelend
en
misschien
zelfs
opwindend
De
Jonge’s
extravagante
gebogen
lijnen
en
hyperbolische
figuur-achtergrond-verhoudingen
ook
op
het
eerste
gezicht
mogen
zijn,
hun
nawerking
op
ons
visueel
bewustzijn
is
uiteindelijk
overwegend
dissonant.
Deze
dissonantie,
die
wordt
aangezet
door
De
Jonge’s
rijke,
romige,
bijna
overdadige
schilderkunstigheid
is
even
opzettelijk
als
de
eerder
genoemde
oppervlakkige
optische
aantrekkingskracht:
het
is
eerder
een
constructieve
dissonantie
dan
een
kritische,
eerder
voortgekomen
uit
didactische
overwegingen
dan
met
het
doel
om
te
provoceren.
Wat
De
Jonge
met
deze
dissonantie
wil
bereiken
is
een
uitbreiding
van
ons
visuele
vocabulaire,
om
ons
ervan
te
overtuigen
dat
het
een
integraal
onderdeel
vormt
van-
en
zelfs
centraal
staat
in
-
de
consonantie
van
onze
dagelijkse
perceptie.
Wat
ons
stoort
in
zijn
werk
is
juist
hetgene
dat
ons
verrijkt,
door
wat
ons
direct
aanspreekt
worden
wij
geleid
tot
wat
ons
stoort.
Dit
subversieve
spel
van
tegenstellingen
omvat
het
soort
dialectische
verhoudingen
dat
kenmerkend
was
voor
de
picturale
discussie
van
de
modernisten
–
de
discussie
was
er,
in
feite,
voor
een
groot
deel
op
gebaseerd.
De
Jonge
onderschrijft
de
modernistische
impuls,
het
bijbehorende
wereldbeeld
en
de
noodzaak
van
kunst
in
die
wereld.
De
“modernistische
impuls,”
nu
meer
dan
dertig
jaar
lang
verdrongen
door
het
post-modernisme,
komt
wellicht
niet
over
als
een
eigentijds
verschijnsel.
Maar
een
heroverweging
van
deze
impuls,
nu
het
post-modernisme
zijn
apotheose
bereikt
en
overschreden
heeft
en
vervolgens
is
uitgedoofd
–
en
op
het
moment
dat
het
computeruniversum
zijn
stempel
zet
op
de
complete
textuur
van
ons
bestaan
–
heeft
een
neo-modernistisch
antwoord
opgeleverd,
dat
niet
zozeer
de
idealen
van
het
modernisme
nogmaals
uiteenzet,
maar
zich
ermee
tevreden
stelt
het
idealisme
dat
deze
beweging
eigen
was
nieuw
leven
in
te
blazen.
De
Jonge’s
schilderijen
belichamen
–
en
symboliseren
mogelijk
–
dat
idealisme,
door
uitdrukking
te
geven
aan
een
intuďtie
dat
een
verzoening
tussen
de
polaire,
tegengestelde
krachten
in
deze
wereld
tot
de
mogelijkheden
behoort.
De
gelijktijdigheid
van
optisch
plezier
en
rationele
orde
in
De
Jonge’s
werken
geeft
de
oplossing
aan
van
een
dominante
dialectiek,
waarmee
het
modernisme
zelf
onvervaard
de
strijd
aanbond.
Reeds
onderwerp
van
debat
in
het
oude
Griekenland,
was
de
aandrang
om
de
met
elkaar
vervlochten
menselijke
driften
van
impuls
en
rede
te
doen
harmoniëren;
welke
onvermijdelijk
vastliep
op
de
natuurlijke
aard
van
beide,
die
het
verlangen
naar
dominantie
is
over
de
ander.
Deze
discussie
kan
worden
opgevat
als
het
allesoverheersende
agon
van
de
modernisten,
–
die
tussen
kubisme
en
expressionisme,
constructivisme
en
surrealisme,
minimalisme
en
pop
art
enzovoort,
gepolariseerde
stromingen
die
samenvallen
met
de
extremen
van
een
Zeitgeist.
De
“derde
stroming”
van
het
modernisme,
die
loopt
van
futurisme
en
dada
tot
en
met
fluxus
en
conceptualisme,
draagt
in
feite
(hoe
onhandig
en
fragmentarisch
ook)
een
synthese
uit
van
Dionysische
en
Apollinische
tendensen
–
en
het
is
deze
drang
tot
synthese
die
tot
het
neo-modernistische
onderzoek
aanmoedigt.
In
het
geval
van
De
Jonge
zien
–
en
voelen
–
we
een
samensmelting
van
sensualiteit
en
cerebraliteit,
hartstocht
en
logica,
waarvan
de
oorsprong
gezocht
kan
worden
in
een
modernistische
opstelling
die
specifiek
is
voor
(onder
andere)
de
Nederlandse
kunstpraktijk.
Het
kan
als
een
anachronisme
overkomen
om
De
Jonge
in
dit
transnationale
tijdperk
als
“Nederlands”
te
identificeren,
maar
nu
we
lokale
stijlverschillen
mogen
definiëren
in
termen
van
smaak
en
nabijheid,
in
plaats
van
als
een
soort
genetische
voorbeschikking
–
met
andere
woorden,
als
een
gevolg
van
omgeving
en
niet
van
erfelijkheid
–
valt
makkelijk
in
te
zien
hoe
De
Jonge’s
hoekige
en
tegelijk
sensuele
vormen
met
sterk
expressieve,
maar
toch
koel
gechromeerde
kleuren
gelijkelijk
de
modellen
van,
bijvoorbeeld,
De
Stijl
en
CoBrA
weerspiegelen.
Het
is
in
dit
verband
van
belang
dat
De
Jonge
heeft
aangegeven
de
invloed
te
hebben
ondergaan
van
Arnold
Schönbergs
muzikale
theorie
(in
het
bijzonder,
maar
niet
uitsluitend,
daar
waar
het
de
kleurverhoudingen
betreft),
en
van
de
neiging
van
twintigste-eeuwse
muziek
in
het
algemeen
om
het
gepassioneerde
en
het
beredeneerde
hecht
aaneen
te
smeden.
In
zijn
neo-modernistische
queeste
naar
een
dialectische
oplossing
is
de
schilder
naar
eigen
zeggen
evenveel
verschuldigd
aan
sonische
en
tijdelijke
expressiemodellen,
als
hij
dat
is
aan
de
statische
visuele
vorm.
De
notatieprocedure
die
De
Jonge’s
compositiemethode
fundeert
–
waarbij
zijn
voorbereidende
schetsen
een
geheel
eigen
conceptueel
belang
en
aantrekkingskracht
verkrijgen
–
is
niet
alleen
een
navolging
van
een
procedure
die
deel
uitmaakt
van
de
klassieke
schilderstraditie,
maar
weerspiegelt
evenzeer
de
taak
die
de
spelers
van
een
orkest
op
zich
nemen
bij
de
uitvoering
van
een
partituur:
ze
moeten
zich
houden
aan
de
op
schrift
gestelde
parameters
en
tegelijkertijd
hun
uitvoering
vervullen
van
hun
eigen,
gevoelvolle
en
oprechte
interpretatie.
Als
direct
gevolg
van
De
Jonge’s
drang
naar
synthese,
zijn
er
vele
kunstenaars,
moderne
en
eerdere,
die
zijn
ontwikkeling
tot
op
heden
hebben
beďnvloed,
te
meer,
wanneer
men
in
aanmerking
neemt
dat
hij
niet
lang
geleden
een
visionaire
vorm
van
figuratie
bedreef,
gebaseerd
op
een
veeleisende
techniek
om
labiele,
droomachtige
scenario’s
weer
te
geven.
Zijn
toegang
tot
uiteenlopende
filosofieën
en
theologieën
(die
begon
met
zijn
blootstelling
aan
het
door
zijn
grootvader
beleden
soefisme)
behoort
tot
de
informatiebasis
voor
de
levenshouding
en
praktijk
van
de
kunstschilder.
Ingrijpende
culturele
en
natuurlijke
revelaties,
zoals
zijn
diepgaande
blootstelling
aan
het
werk
van
Miró
en
Picasso,
zowel
als
aan
de
aarde
en
het
licht
van
het
Iberië
waaruit
deze
voortkwamen,
hebben
een
voorname
plaats
in
De
Jonge’s
evolutie,
van
de
post-modernistische
dysforie
van
zijn
figuratieve
werk
tot
het
neo-modernistische
spel
van
zijn
abstracten.
Veel
hedendaagse
kunstenaars
kunnen
zich
beroepen
op
een
soortgelijke
brede
toegang
tot
exotische
bronnen
en
onderwerpen
van
zeer
uiteenlopende
aard;
de
snel
inkrimpende
wereld
geeft
ons
haar
myriaden
giften
direct
in
handen,
haast
zonder
dat
daar
enige
inspanning
voor
wordt
gevraagd.
Maar
voor
De
Jonge
zijn
deze
giften
een
verre
van
vanzelfsprekende
zaak.
Ze
drijven
hem
tot
het
uitvoeren
van
zijn
eigen
onderzoekingen
en
een
aanhoudende
productie,
bijna
als
voortgedreven
door
een
besef
van
verantwoordelijkheid
tegenover
de
volkeren
over
de
hele
wereld
die
op
deze
wijze
zo
binnen
zijn
bereik
zijn
gekomen.
Als
onze
wereldbol
is
ingekrompen
tot
een
punt
waarop
alle
anderen
naast
de
deur
wonen,
dienen
we
de
fundamentele
verschillen
op
te
lossen
en
onze
medemens
tegemoet
te
treden
als
in
de
geestesgesteldheid
van
een
“ernstig
spel”
(zoals
we
dat,
inderdaad,
onze
gehele
omgeving
zouden
moeten
doen).
De
dialectiek
van
het
creatieve
en
het
destructieve
,
het
rationele
en
het
mysterieuze,
het
weloverwogene
en
het
impulsieve,
dient
niet
simpelweg
tot
een
evenwicht
te
leiden,
maar
tot
een
fusie–
en
wel
op
een
zo
aantrekkelijk
mogelijke
wijze.
Joost
de
Jonge’s
kunst
geeft
vorm
aan
deze
fusie
en
wel
op
deze
wijze.
Los
Angeles
Juni
2009