Het werk, afbeeldingen  


De Ontheven Visuele Intelligentie

Oppositionele-kleur-prominentie/De harmonie van het afzonderlijke (Non Resolving Dissonent)

Het intrinsiek stijlbesef van de kunstenaar

Joost de Jonge Neo-Moderne Synthese door Peter Frank


 




















Ode 1  Ode 1, acrylverf op doek, 36 x 28 cm, 2007



 

Ode 3 Ode 3 acrylverf op doek, 35 x 45 cm, 2007



Shaping the infinite Shaping the infinite, acrylverf op doek



De Ontheven Visuele Intelligentie

De verschijning van een kunstwerk in zijn artistiek proces is vanzelfsprekend en doelmatig in zijn bestemming als kunstwerk, op een zodanige wijze dat het werk zich zo zuiver mogelijk, eigen aan zich zelf, zijn individuele/particuliere klank manifesteert.

De ontheven visuele intelligentie bestaat uit het verschijnen van kunstwerken als puur visueel en ideëel gegeven voor het geestesoog, en als zodanig immaterieel en ontheven aan enig ander willen dan het autonome existeren.

Immaterieel als gegeven van de zich voorstellende geest doch op een dusdanige wijze dat zij zich als een onafhankelijke ontologische verschijning manifesteert voor het zuiver aanschouwende bewustzijn. Of in de herinnering zoals sterren in de nacht verschijnen zonder materiële existentie als zuiver licht waarvan de materiële concentratie al vergaan is. Dit werkt ook omgekeerd namelijk in het artistiek bewustzijn verschijnt het licht, welke een specifieke kleur kan hebben, voor de uiteindelijke materialisatie die dan het licht als specifieke kleur weerspiegelt in het particuliere kunstwerk, dat wanneer geslaagd deze specifieke kleur, de oorsprong van het kunstwerk ten volle weergeeft.

 Joost  de Jonge 2004






Oppositionele-kleur-prominentie/De ha rmonie van het afzonderlijke (Non Resolving Dissonent)

Een meditatieve vibratie van een kleur die middels de contemplatie van de receptor leidt tot het ervaren van evenwicht als uitdrukking van het Hogere. De onderllinge betrekkingen tussen een “kleur-dissonant” owel een prominent aanwezige kleur is toch zo bepaald dat ondanks datdeze het sterkst in het werk aanwezig is, zij altijd harmonisch samenlkinkt met het geheel van de compositie: ofwel de “resolvement”vindt plaats in het opgaan van de kleur in de herinnering en het aanwezige werk; deze verinnerlijking is het punt waar nu de kleur ofwel het kunstwerk gaat klinken. de reminiscentie van de kleur verplaatst zich hier naar het lichaam van de beschouwer->innerlijke aaneenschakeling middels diepe gewaarwording van de kleur; innerlijke resonantie van de spirituele waarde, die middels het bewustzijn van de kunstenaar daaraan is verleend.

Joost de Jonge 2004






Het intrinsiek stijlbesef van de kunstenaar

De kunstenaar positioneert zich middels zijn kunstzinnig besef en doet dit zelden middels de eenvoudige binaire stellingname mooi-niet mooi, maar zal veel eerder kijken naar de relevantie van een specifiek formeel gegeven, in samenhang met het spirituele en intellectuele uitgangspunt, voor de kunstzinnige uitdrukking als geheel. En zal op basis hiervan een  gedeelte van een kunstwerk als meer of minder geslaagd beschouwen.

Hieruit volgt de mogelijkheid dat een specifiek formeel aspect; welke kan zijn tonaliteit, de zichtbaarheid van de penseelstreek, het glacis, het afzetten van bepaald°e vormen tegen elkaar, een bepaald artistiek begrip overbrengt.

De reflectie over de gevonden beeldende oplossing resulteert in een veralgemenisering van deze oplossing en wordt tot een inzicht in beeldende relaties herleidt en schept zo de mogelijkheid tot soortgelijke toepassing in het eigen werk.

Een kunstenaar plant vaak series en heeft een op ontwikkeling gericht streven dat hij middels zijn kunstwerken realiseert. Een kunstwerk is meestal een schakel in een lange keten van kunstwerken  die deel uitmaken van een indivi dueel streven naar artistieke groei en kan bestaan vanuit een gewaar zijn van zijn capaciteiten en nog te vormen meesterschap, dit middels het waargenomen potentieel in eigen werk; zowel in vorm als in technische beheersing.

Door vast te houden aan een specifiek formeel aspect, ofwel een beeldende oplossing en deze uit te vergroten ontstaat een uitgesproken stijl en de benadrukking van indiviiduele kwaliteiten. Dit process noem ik artistieke zelfexplicatie. Dit ontstaat gewoonlijk pas nadat er tussen kunstenaar en zijn kunstwerken een zeer intensieve dialoog met de kunstwerken van oude en hedendaagse meesters heft plaatsgevonden: interactieve systeemdialectiek. Hieruit volgt de selectie van een deelgebied: de artistieke thematiek; de realisering van het zelfbewustzijn van de kunstenaar staat hierbij in direct verband met het vinden van een artistieke waarheid die verder wordt verzelfstandigd.

Het kunstwerk is dus in eerste instantie als visueel gegeven en materieel gegeven duurzaam.De herhaling/bestendiging van een ontdekte artistieke waarheid vormt een constante: de uitdrukking van een innerlijk gerealiseerd evenwicht in samenhang met de artistiek gevonden waarheid.Het kunstwerk is in deze volwassen fase, de periode waarin een kunstenaar de identiteit van zijn kunstenaarschap heeft gefundeerd, altijd serieel daar het thematisch en formeel een zelfde doelstelling heeft.

De bevestiging van de persoonlijke aanleg vindt plaats in de ontwikkeling van een persoonlijke vorm, stijl en techniek. De benadrukking van datgene waaruit iemands persoonlijkheid spreekt wordt al doende in een universele abstracte vorm getransponeerd. Deze heeft zijn constituering in kunstzinnige realisaties die plaats vinden in het creatieve proces. Zoals de fundamentele werkelijkheidswaarde van het object ligt in het ding op zich; zijn individuele bestaan, is ook de uiteindelijke staat van het kunstwerk zijn individuele verschijning, die in deze individuele verschijning zijn universele oorsprong realiseert door een zo groot mogelijke mate van oorspronkelijkheid.

Het kunstwerk bestaat dus als onderdeel van zijn eigen historie als beeldende en verwerkelijkte uitkomst van deze historie en is alleen als beeldend gegeven van waarde, wanneer zij handelt over of bestaat uit het reveleren van artistieke waarheden, die gezien kunnen worden als  uitdrukking van een hoger, geestelijk bewustzijn.

Joost de Jonge 2004




 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

JOOST DE JONGE:NEO-MODERNE SYNTHESE

Door Peter Frank

De schilderijen van Joost de Jonge – licht, ritmisch, sensueel – maken op het eerste gezicht een  levendige, vanzelfsprekend geconcipieerde en toegankelijke indruk. Achter hun onmiddellijke aantrekkingskracht gaat echter een complexe filosofische en kunsthistorische werkelijkheid schuil. De werken zijn producten van een vrij doorwrochte redenering en worden gedreven door diep doorleefde filosofische  opvattingen, esthetische overwegingen en kunsthistorisch bewustzijn.

Afgaande op de eerste indruk lijkt De Jonge’s kleurenpalet ontworpen voor het opwekken van een kinderlijke feeststemming, een naďeve vrolijkheid. Maar bij nadere beschouwing blijkt het effect van zijn kleurwaardes, kleurcombinaties en de distributie ervan over ieder doek in toenemende mate weerbarstig en scherp, zelfs grenzend aan die van een onverkwikkelijke visuele dreiging. De chroma’s neigen niet werkelijk naar het zoete, maar naar het zure, bijtende; de opeenvolging van kleuren lijkt onmiddellijk willekeurig en gestaag, alsof De Jonge  bezig was een elementair decoratief patroon op te zetten en dit vervolgens doelbewust verstoort. Hoe oogstrelend en misschien zelfs opwindend De Jonge’s extravagante gebogen lijnen en hyperbolische figuur-achtergrond-verhoudingen ook op het eerste gezicht mogen zijn, hun nawerking op ons visueel bewustzijn is  uiteindelijk overwegend dissonant.

Deze dissonantie, die wordt aangezet door De Jonge’s rijke, romige, bijna overdadige schilderkunstigheid is even opzettelijk als de eerder genoemde oppervlakkige optische aantrekkingskracht: het is eerder een constructieve dissonantie dan een kritische, eerder voortgekomen uit didactische overwegingen dan met het doel om te provoceren. Wat De Jonge met deze dissonantie wil bereiken is een uitbreiding van ons visuele vocabulaire, om ons ervan te overtuigen dat het een integraal onderdeel vormt van- en zelfs centraal staat in - de consonantie van onze dagelijkse perceptie. Wat ons stoort in zijn werk is juist hetgene dat ons verrijkt, door wat ons direct aanspreekt worden wij geleid tot wat ons stoort.

Dit subversieve spel van tegenstellingen omvat het soort dialectische verhoudingen dat kenmerkend was voor de picturale discussie van de modernisten – de discussie was er, in feite, voor een groot deel op gebaseerd. De Jonge onderschrijft de modernistische impuls, het bijbehorende wereldbeeld  en de noodzaak van kunst in die wereld. De “modernistische impuls,” nu meer dan dertig jaar lang verdrongen door het post-modernisme, komt wellicht niet over als een eigentijds verschijnsel. Maar een heroverweging van deze impuls, nu het post-modernisme zijn apotheose bereikt en overschreden heeft  en vervolgens is uitgedoofd – en op het moment dat het computeruniversum zijn stempel zet op de complete textuur van ons bestaan –  heeft een neo-modernistisch antwoord  opgeleverd, dat niet zozeer de idealen van het modernisme nogmaals uiteenzet, maar zich ermee tevreden stelt het idealisme dat deze beweging eigen was nieuw leven in te blazen. De Jonge’s schilderijen belichamen – en symboliseren mogelijk – dat idealisme, door uitdrukking te geven aan een intuďtie dat een verzoening tussen de polaire, tegengestelde krachten in deze wereld tot de mogelijkheden behoort.

De gelijktijdigheid van optisch plezier en rationele orde in De Jonge’s werken geeft de oplossing aan van een dominante dialectiek, waarmee het modernisme zelf onvervaard de strijd aanbond. Reeds onderwerp van debat in het oude Griekenland, was de aandrang om de met elkaar vervlochten menselijke driften van impuls en rede te doen harmoniëren; welke onvermijdelijk vastliep op de natuurlijke aard van beide, die het verlangen naar dominantie is over de ander. Deze discussie kan worden opgevat als het allesoverheersende agon van de modernisten,  – die tussen kubisme en expressionisme, constructivisme en surrealisme, minimalisme en pop art enzovoort, gepolariseerde stromingen die samenvallen met de extremen van een  Zeitgeist. De “derde stroming” van het modernisme, die loopt van futurisme en dada tot en met fluxus en conceptualisme, draagt in feite (hoe onhandig en fragmentarisch ook) een synthese uit van Dionysische en Apollinische tendensen – en het is deze drang tot synthese die tot het  neo-modernistische  onderzoek aanmoedigt.

In het geval van De Jonge zien – en voelen – we een samensmelting van sensualiteit en cerebraliteit, hartstocht en logica, waarvan de oorsprong gezocht kan worden in een modernistische opstelling die specifiek is voor (onder andere) de Nederlandse kunstpraktijk. Het kan als een anachronisme overkomen om De Jonge in dit transnationale tijdperk als “Nederlands” te identificeren,  maar nu we lokale stijlverschillen mogen definiëren in termen van smaak en nabijheid, in plaats van als een soort genetische voorbeschikking  – met andere woorden, als een gevolg van omgeving en niet van erfelijkheid –  valt makkelijk in te zien hoe De Jonge’s hoekige en tegelijk sensuele vormen met sterk expressieve, maar toch koel gechromeerde kleuren gelijkelijk de modellen van, bijvoorbeeld, De Stijl en CoBrA weerspiegelen.

Het is in dit verband van belang dat De Jonge heeft aangegeven de invloed te hebben ondergaan van Arnold Schönbergs muzikale theorie  (in het bijzonder, maar niet uitsluitend, daar waar het de kleurverhoudingen betreft), en van de neiging van twintigste-eeuwse muziek in het algemeen om het gepassioneerde en het beredeneerde hecht aaneen te smeden. In zijn neo-modernistische queeste naar een dialectische oplossing is de schilder naar eigen zeggen evenveel verschuldigd aan sonische en tijdelijke expressiemodellen, als hij dat is  aan de statische visuele vorm. De notatieprocedure die De Jonge’s compositiemethode fundeert  – waarbij zijn voorbereidende schetsen een geheel eigen conceptueel belang en aantrekkingskracht verkrijgen – is niet alleen een navolging van een procedure die deel uitmaakt van de klassieke schilderstraditie, maar  weerspiegelt evenzeer de taak die de spelers van een orkest op zich nemen bij de uitvoering van een partituur: ze moeten zich houden  aan de op schrift gestelde parameters en tegelijkertijd hun uitvoering vervullen van hun eigen, gevoelvolle en oprechte interpretatie.

Als direct gevolg van De Jonge’s drang naar synthese, zijn er vele kunstenaars, moderne en eerdere, die zijn ontwikkeling tot op heden hebben beďnvloed, te meer, wanneer men in aanmerking neemt dat  hij niet lang geleden een visionaire vorm van figuratie bedreef, gebaseerd op een veeleisende  techniek om labiele, droomachtige scenario’s weer te geven. Zijn toegang tot uiteenlopende filosofieën en theologieën (die begon met zijn blootstelling aan het door zijn grootvader beleden soefisme) behoort tot de informatiebasis voor de levenshouding en praktijk van de kunstschilder. Ingrijpende culturele en natuurlijke revelaties, zoals zijn diepgaande blootstelling aan het werk van Miró en Picasso, zowel als aan de aarde en het licht van het Iberië waaruit deze voortkwamen, hebben een voorname plaats in De Jonge’s evolutie, van de post-modernistische dysforie van zijn figuratieve werk tot het neo-modernistische spel van zijn abstracten. 

Veel hedendaagse kunstenaars kunnen zich beroepen op een soortgelijke brede toegang tot exotische bronnen en onderwerpen van zeer uiteenlopende aard; de snel inkrimpende wereld geeft ons haar myriaden giften direct in handen, haast zonder dat daar enige inspanning voor wordt gevraagd. Maar voor De Jonge zijn deze giften een verre van vanzelfsprekende zaak. Ze drijven hem tot het uitvoeren van zijn eigen onderzoekingen en een aanhoudende productie, bijna als voortgedreven door een besef van verantwoordelijkheid tegenover de volkeren over de hele wereld die op deze wijze zo binnen zijn bereik zijn gekomen. Als onze wereldbol is ingekrompen tot een punt waarop alle anderen naast de deur wonen, dienen we de fundamentele verschillen op te lossen en onze medemens tegemoet te treden als  in de geestesgesteldheid van een “ernstig spel” (zoals we dat, inderdaad, onze gehele omgeving zouden moeten doen). De dialectiek van het creatieve en het destructieve , het rationele en het mysterieuze, het weloverwogene en het impulsieve, dient niet simpelweg tot een evenwicht te leiden, maar tot een fusie– en wel op een zo aantrekkelijk mogelijke wijze. Joost de Jonge’s kunst geeft vorm aan deze fusie en wel op deze wijze.

Los Angeles

Juni 2009