|
Vincent
van Oss
ensceneert ruimtes
De
Oervorm is pneumatisch door Vincent van Oss
Vincent
van Oss ensceneert ruimtes
expositie in Artistik galerie te Amsterdam -
Langzaam maar zeker wordt binnen de recente
abstracte kunst
een moderne tendens zichtbaar. Er is geen sprake van een radicale
omslag vanuit
een program, maar het zijn individuele kunstenaars die ieder voor zich
opnieuw
het wiel uitvinden omdat ze daar blijkbaar niet onderuit komen. Deze
nieuwe
tendens doet zich voor zowel in de figuratieve als in de abstracte
kunst. In
beide gebieden ontstaan moderne openheid en vormen van nieuwe
transparantie. Ze
gaan vaak samen met een grotere complexiteit die vanzelf lijkt te
ontstaan,
zodra er bewust meerdere lagen in een kunstwerk worden gebruikt.
Er geldt een ijzeren wet in modern kunstenland. Willen kunstenaars hun
eigentijdse ervaringen verbeelden, dan zijn ze gedwongen tot het
ontwikkelen van
nieuwe beeldtaal; er kan niet worden teruggevallen op de bestaande
voorraad.
Andere bronnen moeten worden gevonden en vaak bestaan die al in de
dagelijkse
wereld om ons heen. Het is niet toevallig dat we de afgelopen 15 jaar
in ons
dagelijkse leven een toenemende transparantie waarnemen en ervaren. In
de glazen
bushokjes of de open draagconstructies van stations en hallen; in de
complexe
reflecties in de verlichte etalages van de avondstad. Alleen al de
toepassing
van dubbele ramen in onze woonhuizen en kantoren heeft, door de
complexe
weerkaatsingen die hierin ontstaan, ons kijken en ervaren
radicaal
veranderd. In het donkere raam van een avondtrein zien we ons zelf
caleidoscopisch weerspiegeld, omdat meerdere achtergronden tegelijk
zich in het
spiegelende raam verdringen en versmelten; er ontstaat een spiegelbeeld
met
bedrieglijke gelaagdheid.
Vincent van Oss is
één van
de kunstenaars die bewust nieuwe beeldtaal ontwikkelt. Omdat hij zich
positioneert in de traditie van de abstracte kunst, stelt hij zichzelf
tot taak
om binnen dit gebied de bestaande beeldtalen om te buigen of radicaal
te
vervangen. In galerie Artistik te Amsterdam is tot en met 5 februari
2006 een
selectie van zijn werken te zien waarin dit proces goed te volgen is.
Deze
expositie toont vijf jaar van zijn ontwikkeling, zowel in de beeldtalen
die hij
toepast, als in de verschillende kwaliteiten van ruimtelijkheid die
successievelijk in zijn schilderijen ontstaan.
Niet geheel toevallig is Vincent van Oss in de abstracte kunst terecht
gekomen.
Gedurende zijn academiejaren in Den Bosch kreeg hij les van Ger
Lataster en Lei
Molin. Beide schilders zijn prominente vertegenwoordigers van de
moderne,
abstracte schilderkunst in Nederland van na de Tweede Wereldoorlog.
Gemeenschappelijk in het werk van deze twee kunstenaars is de grote
mate van
openheid, een eigenschap die ook bij Vincent van Oss in toenemende mate
domineert in de enscenering van zijn abstracte schilderijen.
( AFBEELDING 1:
Ro, acrylverf op doek, 40 x 40 cm, 1998 AFBEELDING 2: Zonder titel,
acrylverf
op doek, 65 x 50 cm, 2001 ) In zijn eerste werken vanaf 1989
relativeert Vincent
van Oss al enigszins het gesloten platte vlak; de achtergrond van het
schilderij
wordt met dunne verf opgebouwd uit gestileerde vormen. Het linnen en de
onderliggende verflagen blijven goed te zien, waardoor het kijken in de
diepte
van het schilderij niet volledig wordt afgeblokt. Toeval en
confrontatie worden
in deze fase uitgelokt door met een zekere willekeur voor de
achtergrond scherp
Œuitgeknipte¹ voorwerpen of figuurtjes te plaatsen, die vanuit een
geheel
andere wereld afkomstig zijn. Ze worden gemaakt met behulp van
sjablonen en zijn
daardoor gepréfabriceerd. Deze scherp uitgesneden en gestileerde
figuren zweven
of hangen op de voorgrond en trekken de diepte van het schilderij
radicaal open.
We worden gedwongen langs hen heen te kijken, omdat ons oog op hun
platte
silhouet afglijdt en geen verdere
houvast vindt. Ze hebben
het karakter
van
geproduceerde dingen en bezitten een formele beeldtaal; verbinding met
de
achtergrond krijgen ze nog nauwelijks. Door hun uitdagende en
onlogische
aanwezigheid binnen het grote lege veld van het schilderij roepen ze
associaties
op met Dada en het werk van Hans Arp. Ze zweven rond en structureren
slechts
rudimentair de ruimte. Als kijker worden we gedwongen om zelf de grote
afstand
te overbruggen die zij oproepen ten opzichte van de rest van het
schilderij;
daar ligt hun uitdaging.
Al vanaf zijn academietijd heeft Vincent van Oss zijn sjablonen
geknipt;
bovendien heeft hij deze bewaard! Nu worden ze opnieuw gebruikt als
gereedschap
voor het maken van de gepréfabriceerde figuren. De
simpele,
afgestripte
beeldtaal die hiermee ontstaat, heeft sterke verwantschap met hard
edge, moderne
design en tekenfilmtaal. Zelf noemt Van Oss ŒBarbapappa en
Barbamamma¹;
figuren uit een kinderboekenreeks, die ook in een televisieserie te
zien waren
in de jaren 1970-1980. Het waren vrij plompe, gestileerde figuurtjes
die net als
een inktvis alle mogelijke vormen konden aannemen, al naar gelang de
situatie in
het verhaal. Zo staan ook de préfabfiguren van Van Oss slechts
met een
platte
silhouetvorm in zijn doeken geplaatst. De omtrekvorm is bol of hol,
soms in
combinatie met een rechthoekige omtrek of een strakke hoek. Hun
uiterlijk doet
denken aan schaakstukken of aan de Œpacman¹-icoontjes uit de
eerste
generatie
computerspelletjes.
Door het inbrengen van deze formele beeldtaal ontstaat er een
fundamentele,
bewust gemaakte tweedeling in de schilderijen van deze werkperiode van
Vincent
van Oss. De uitgesproken figuren op de voorgrond functioneren slechts
als een
ijkpunt, als een houvast waarlangs het oog de opgeroepen diepte in kan
kijken.
Er hangt veel lege ruimte tussen voor- en achtergrond. Van
gestructureerde
ruimte is nog nauwelijks sprake. Als kijker dien je in het ontstane gat
te
springen om het schilderij zonder bewegwijzering verder te fantaseren,
of je
loopt eraan voorbij omdat je meer handreikingen tot communicatie
verlangt. Het
is jammer dat in de expositie in galerie Artistik niet enkele van deze
vroegere
doeken zijn opgenomen, want ze illustreren heel uitgesproken het
uitdagende en
basale begin van het abstracte schilderen van Vincent van Oss, van
waaruit zijn
latere werk zich kon ontwikkelen.
( DERDE AFBEELDING : Zonder titel, acrylverf op doek, 70 x 105
cm,
2001)
Vanaf 2001 gaan de achtergronden wezenlijk veranderen, want vanaf nu
komen de
achterste lagen in zijn schilderijen veel intuïtiever tot stand,
ze
ontstaan
met een lichte, nonchalante verftoets. Daardoor worden ze
gecompliceerder omdat
de strakke stilering wegvalt en er meerdere verflagen ontstaan die
elkaar
zichtbaar overlappen. Ondanks deze omslag ontstaan er nog nauwelijks
voelbare
ruimtes in het schilderij. De pregnante tweedeling in beeldtaal - de
scherpe
figuren vooraan en de breed geschilderde achtergrond - blijft als
vanouds
gehandhaafd. Het zijn nu kleine, scherpe figuurtjes geworden,
Œdingetjes¹ die
we over het doek zien zweven, als insecten tegen de ruit. Nu wordt
bovendien het
toeval bewust geprovoceerd om zich in het ontstaan van het werk te
mengen. Dit
wordt uitgelokt door de verf op liggende doeken te gieten en vervolgens
willekeurig uit te laten stromen, door het schilderij hier en daar even
op te
tillen. De verf droogt daarna liggend in, wat in de schilderijen een
zichtbaar
effect geeft doordat de structuur van het linnen sterker aanwezig
wordt. Er
ontstaat met dit gietprocédé een complexe gelaagdheid; de
verschillende
kleurvelden die over elkaar heen zijn gevloeid blijven zichtbaar want
ze dekken
elkaar niet weg. De keuze voor deze werkwijze zie ik als een bewuste en
moderne
keus! We zien nu laag over laag over laag ontstaan, gestuurd en
bewerkstelligd
door het tillen van het doek. Er ontstaat met de gecreëerde
transparantie een
grotere ruimtelijkheid en complexiteit in de opbouw van het schilderij.
Het
gieten van de verf wordt Vincent van Oss overigens al gauw vertrouwder
dan de
schilderskwast. Vanaf 2003 past hij deze werkwijze die aanvankelijk
intuïtie en
toeval moest uitlokken, al heel bewust en strategisch toe.
(VIERDE AFBEELDING: Zonder titel, acrylverf op doek, 180 x 135 cm, 2002)
Tijdens de zomer van 2002 en 2003 ontstaat een serie grote schilderijen
waarop
de toegepaste sjabloonfiguren - nu in forse formaten - zich gaan
vermengen met
de dun uitgevloeide verfvelden. Niet langer zweven ze ongrijpbaar over
het doek,
maar groeien van losstaand figuur uit tot een krachtige platte vorm. Ze
worden
daarmee een constructief en dynamisch onderdeel van het schilderij dat
verbindingen aangaat en tot stand brengt. Ze synthetiseren. Er is
hierin sterke
verwantschap te signaleren met de Duitse abstracte schilder Nay, die
rond 1960
bewust koos voor zijn typische schijf, als basisvorm van zijn dragende
vlakken
binnen het schilderij. Zo is bij beide schilders het schilderij als een
samenstel van krachtige platte vormen te zien, die elkaar gedeeltelijk
overlappen, afsnijden of afstoten. De grote vormen zijn voelbaar actief
in het
structureren en opdelen van ruimte en diepte in het schilderij.
Definitief is
hiermee afstand genomen van het dogma van het platte vlak uit de vroege
abstracte kunst, waarmee elke suggestie van diepte bewust werd
geëlimineerd.
Vanaf nu worden er door Vincent van Oss meerdere grote vormen gebruikt,
die
slechts in relatie tot elkaar de noodzakelijke architectuur van het
schilderij
doen ontstaan. Ze differentiëren gezamenlijk de diepte, ook
al
blijven ze
zelf vrij plat, want ons oog botst nog steeds tegen hun oppervlakte aan.
De structurerende kracht krijgen ze doordat Van Oss zijn grote figuren
in een
zichtbaar ritme meerdere keren binnen één schilderij
tevoorschijn laat
komen
of ze dynamisch bij elkaar plaatst in vorm en tegenvorm. Dit is een
belangrijke
stap in zijn schilderen, want hiermee ontstaat energie. Er komt
dynamiek in het
schilderij. De grote, formele préfabvormen gaan een uitdaging
aan met
de 'toevallige¹
gestuurde vormen die ontstaan vanuit het gieten van de verf. Dezelfde
twee
krachten zijn aan het werk als voorheen, maar waar ze in zijn vroegere
doeken
onaangedaan langs elkaar heen schoven, kunnen ze nu elkaar niet langer
ontwijken. In deze botsingen zijn ze redelijk gelijkwaardig in kracht
en volume,
dus geen van twee komt ongeschonden uit de strijd. Niet langer kunnen
de préfabfiguren
hun typische gestileerdheid voor de volle 100 % handhaven, omdat ze
worden
aangetast of opgenomen door de uitgevloeide verfvelden. De vrije loop
van de
gegoten verf wordt op zijn beurt ingeperkt door de krachtige
omtrekvormen,
ontstaan vanuit de sjablonen. Er ontwikkelt zich een andere atmosfeer
in het
werk door de vermenging van zacht en hard. Het verschil in uiterlijk en
afkomst
van deze twee beeldtalen levert zo een kostbaar mengsel op. Het leidt
tot
geheimzinnige structureringen, de ene keer wat meer uitgesproken, de
andere keer
nog bijna embryonaal en diffuus. Deze krachtmeting roept bovendien
opnieuw de
intuïtie het schilderij in, want de uitkomsten van de
schermutselingen
zijn
niet geheel voorspelbaar. In de definitieve versie van de doeken blijft
dit
zichtbaar aanwezig, omdat de sporen van het toeval niet
¹eruit¹ zijn
geschilderd. Twee grote doeken hangen op de tentoonstelling in galerie
Artistik
die deze fase van schilderen van Vincent van Oss illustreren. Grote
vormen
schuiven hierin over elkaar heen of achter elkaar langs. We worden bij
het
kijken gedwongen om geheel zelfstandig te zwerven; niet langer is er
het houvast
van een scherp gesneden pionnetje of pacman, zwevend op de voorgrond.
De twee voorgaande werkjaren zijn een periode waarin uitsluitend
kleine
formaten ontstaan; series van schilderijtjes, zowel in vierkanten als
in ronde
vormen. Ik zie deze tijd als een periode van integratie, want nu worden
er in
het schilderen duidelijke conclusies getrokken op basis van het
voorgaande. Er
ontstaat een grote mate van beheerste complexiteit. De voorheen
gehanteerde
sterke tweedeling binnen het schilderij valt in deze series kleine
doeken geheel
weg. De achtergrond blijft niet langer op zijn oude vertrouwde plek
achterin,
maar is op drift geraakt en stuwt zich plaatselijk naar voren in het
schilderij.
Allerlei verschillende dieptes en holtes ontstaan daardoor. Ook de
voorheen
platte sjabloonfiguren worden nu eens geplooid en dan weer omgebogen.
Ze worden
tot ruimtelijke sculpturen omgebogen waar we met onze ogen in kunnen
gaan. Zo
wordt de ruimte van het schilderij op een complexe wijze geboetseerd en
verdeelt
ze zich in allerlei kamers en vertrekken. Door de bewust
gecreëerde
plooien en
holen ontstaat een beeldtaal met uitgesproken organische vormen.
Raadselachtig
bovendien, want lang niet altijd wordt ons tijdens het kijken duidelijk
in wat
voor ruimtes we ons bewegen. De kijkperspectieven zijn heel gevarieerd.
We
moeten bochten maken met onze ogen en nauwkeurig manoeuvreren om achter
een
belemmerende bolvorm te kunnen kijken of door een nauwe sleuf verder de
diepte
in te gaan. Soms is er slechts sprake van een nevelig, embryonaal
bestaan.
De scherpe sjabloonfiguren uit het vroegere werk lijken nu geheel te
worden
opgenomen in de geboetseerde ruimte; ze raken volledig
geïntegreerd.
Dit levert
winst op en verlies, dat is onvermijdelijk. Hun eigenzinnige,
uitdagende
uitstraling van voorheen verfrist niet langer het schilderij en schept
niet meer
die prikkelende afstand die ons kijken kan provoceren. Aan de andere
kant
ontstaan met deze integratie klassiek aandoende, abstracte schilderijen
met een
diepere sonoriteit in vorm en kleur. Ze sluiten zich daarmee beslist
niet, want
hun architectuur blijft open en toegankelijk voor onze ogen. Het is
meer dat
overal in het doek een gelijksoortig gegons hangt, want de scherp
snijdende
omtrekvormen van de sjabloonfiguren zijn geheel verdwenen. Zij zijn
opgelost in
een overwegend organische beeldtaal. Raadselachtig zijn de ontstane
ruimtesculpturen beslist, want in wat voor werelden komen we eigenlijk
terecht
als we kijken? Wanneer ik deze doekjes zie krijg ik voortdurend
associaties met
televisiebeelden van kijkoperaties, waarbij de camera het lichaam
ingaat als
nieuwsgierig verlengstuk van ons oog. Ook zie ik verwantschap met de
landschappen uit de sf-film ŒDe Matrix¹, waar vervloeiing van
situatie
en
beeld een kenmerkend gegeven is, zodat onze dagelijkse
ruimteoriëntaties
ontregeld worden teneinde ons ontvankelijk te maken.
In een aantal recente kleine schilderijen van Vincent van Oss is een
perfecte
balans ontstaan tussen vervloeiende evocatie en het handhaven van een
heldere
structuur, die nodig is om de architectuur van het schilderij zijn
kracht te
geven. Ik schat dit in als een tijdelijke balans omdat ze gebaseerd is
op de
voorafgaande ontwikkelingen. Ongetwijfeld heeft ze haar grenzen, dus is
het zaak
om deze tijd volledig uit te buiten; er moet nu worden geoogst.
Geslaagde
integratie lukt slechts voor de volle 100 %. Er blijft geen onverwerkt
afval
over in het werk om op door te kunnen gaan, een restant als voeding
voor het
volgende doek. In die zin is integratie in de kunst vraatzuchtig; alle
opgeslagen intuïtie wordt volledig opgebruikt. ( VIJFDE
AFBEELDING,
Zonder
titel, acrylverf op doek, 40 x 40 cm, 2004)
In de moderne kunst is het zaak om bij grote complexiteit en
raadselachtigheid
helder te blijven, en dat lukt Vincent van Oss in mijn ogen goed. De
sjabloonfiguren met hun uitgesproken omtrekvorm dragen hiertoe bij,
wanneer ze
eenmaal zijn geïntegreerd in het gehele schilderij. Die
duidelijkheid
lijkt hij
ook te bewerkstelligen door in sterke mate te abstraheren en heel
bewust te
structureren in zijn schilderijen, waarbij nauwelijks meer speelruimte
wordt
toegelaten voor toeval of intuïtie. Dat hoeft ook niet
persé, want
zowel
toeval als intuïtie hebben zich in de jaren daarvoor verzameld; er
is
een
virtuele voorraad aangelegd. Maar ook hier dringt zich de vraag op
wanneer de
voorraadkast leeg zal zijn. Abstractie vindt nu eenmaal plaats door
uitzuivering, en voor je het weet is er slechts de abstractie zelf die
overblijft; de intuïtie is een andere stek gaan zoeken. Bij enkele
van
de
recente, ronde schilderijtjes van Vincent van Oss krijg ik het idee dat
de
intensieve abstractie verschralend uitwerkt; de doekjes worden wat ijl.
De tijd
moet het leren. Dit risico is bovendien niet te ontlopen. Sterker nog,
dit
risico moet gelopen worden, want schilderen is bewegen! Schilderen is
ook
ontvangen, en het moment van oogsten wordt niet door de kunstenaar
bepaald; hij
onderkent slechts het geschikte moment daartoe. ( ZESDE AFBEELDING,
Zonder
titel, acrylverf op doek, doorsnee 50 cm, 2005)
In de meest recente schilderijen van Vincent van Oss kijken we naar
heldere
visuele voorstellen. Er ontstaat communicatie over vormen van
werkelijkheid die
nog niet bestaan. Er is beeldtaal gemaakt van mogelijke ruimtes. Maar
zo gauw
deze beeldtaal overtuigend bestaat worden deze ruimtes ook werkelijk,
dat is de
magie van het schilderen. Zo ontstaan er visionaire landschappen, zoals
ze ook
bij de Momper en Seeghers ontstonden, vierhonderd jaar geleden. Er is
immers in
zijn werk een bewuste fantasie op gang gekomen over nog niet aanwezige
werkelijkheid. Er zijn vermoedens verbeeld over ruimtes waarin onze
dagelijkse
ruimteoriëntaties niet meer voldoen. Willen onze ogen wel daarin
gaan?
Zijn we
bereid er doorheen te reizen, ondanks de grote mate van
onvoorspelbaarheid? Dan
moeten we op onze intuïtie kunnen laveren en manoeuvreren, zoals
tijdens de
spectaculaire vlucht van het ruimteschip in De Matrix¹, deel 3.
Wat
voor
bijdrage leveren deze doeken, hoe functioneren ze maatschappelijk? Ik
raak er
steeds meer van overtuigd dat wij in de komende vijftig jaar onze
ruimtelijke
fantasie hard nodig zullen hebben om mentaal te kunnen overleven en
vorm te
kunnen geven aan de toekomst. De schilderijen van Vincent van Oss zijn
esthetische, virtuele oefeningen in het ons bewegen in ruimte, zowel in
ons
denken en fantaseren als in het emotioneel ervaren. Ze geven ons als
het ware
vliegles in zwenken, in- en uitzoomen, grenzen opgeven, op vermoedens
en intuïtie
durven afgaan, wegen openen tot nieuwe kennis en vermoedens. Daarbij
blijven de
meeste van zijn schilderijen helder en solide in hun constructie; ze
zijn
integer. Ze zijn bovendien mooi, soms zelfs verleidelijk.
Er gaat de komende decennia veel op ons afkomen. Veel recente
bevindingen staan
op het punt om toegepast te worden: de genetische mogelijkheden, de
praktische
toepassingen van de nanotechnologie. Ook verstrekkende inzichten
ontwikkelen
zich, zoals in de kosmologie met haar nieuwste waarnemingen over ons
heelal en
haar vermoedens over parallelle heelallen. We zullen moeten leren
mentaal te
overleven in onbegrensde mogelijkheden, want de toekomst opent zich
steeds
feller en intenser, en mogelijkheden en variaties van levensvormen
nemen
alsmaar toe. We zullen als mens binnenkort langer leven en daardoor in
één
mensenleven meer van de toekomst mee maken. Onze kinderen worden al
gauw 150
jaar of ouder. Ieder zal in deze veranderingen een levensrol moeten
vinden, want
ieder mens is een actief en kostbaar onderdeel van de toekomstige
ontwikkelingen.
Visuele voorstellen van ruimtelijkheid en allerlei openingen naar nog
onbekende
werkelijkheid zijn essentieel om ons nieuwe en transparante
interpretatiekaders
te bieden. De oude abstracte kunst heeft zich zestig jaar na haar
ontstaan
genesteld in de vormgeving van de verkeersborden die nu dagelijks ons
leven
regelen. Transparante schilderijen als die van Vincent van Oss zullen
onze
mentale redzaamheid stimuleren en onze fantasie voeden voor een
toekomst die
open en onvoorspelbaar is.
29 december 2005
Fons Heijnsbroek
De
Oervorm is pneumatisch
Voor mij als
abstract werkend schilder zijn de vormen die ik weergeef van wezenlijk
belang. Met gebruikmaking van sjablonen laat ik duidelijke, afgebakende
vormen zien. De vormen stellen in eerste instantie niets voor en staan
puur op zichzelf. Sommige leiden sneller naar een betekenis dan andere.
De oervorm is
voor mij een vorm waaruit alle andere vormen voort kunnen komen. Ik heb
het idee dat alle vormen die ik maak uit één vorm zijn
ontstaan, of ten minste terug zijn te brengen tot één
vorm: de oervorm.
In den beginne
was er gas. Dat gas veranderde in vuurbollen. Deze vuurbollen straalden
vrijwel gelijkmatig in alle richtingen warmte uit en stolden tot ronde
planeten. Ook een luchtbel onder water en een zeepbel in de lucht zijn
rond. Verder hebben waterelementen vaak een ronde verschijningsvorm.
Het water in de rivier maakt ronde lijnen in het landschap.
Het menselijk
lichaam is aan de buitenkant rond. Heb je ooit een mens of dier gezien
waarvan het lichaam een rechte lijn vertoont? De spieren en organen
zijn rond en meegaand om beweging en transport te bewerkstelligen. We
kunnen stellen dat vormen vanuit de natuur rond zijn.
In het verleden
werden de cirkel en een perfect ronde bol vaak gezien als symbool van
uiterste zuiverheid en werd er de betekenis 'oneindigheid' aan
verbonden. Maar het leven heeft te maken met ontstaan en afsterven.
Celdeling staat daarin centraal. Er vindt deling - en dus groei -
plaats. Het is juist belangrijk dat een vorm de mogelijkheid tot
verandering in zich heeft en ontwikkeling laat zien.
Levensvormen
kunnen veranderen zodra de druk binnen een bol niet gelijkmatig is. De
bol is dan niet volkomen rond, maar eerder eivormig. Vergelijk dit maar
met de wat afgeplatte vorm van de planeet aarde. Het is mogelijk dat er
vanuit de bol een uitstulping ontstaat, zoals een berg die ontstaat
zodra de druk op een bepaalde plaats te groot wordt en de aarde magma
uitstoot. Ook een glasbol vertoont uitstulpingen zodra de glasblazer de
druk opvoert; de zeepbel waarin de druk te groot wordt spat uit elkaar.

De oervorm zie
ik als een concrete vorm. Een vorm die bestaat uit een ronde figuur
waarvan zich een nieuwe of andere vorm afsplitst.
Hoewel ik
overwegend 2-dimensionaal werk, wilde ik een 3-dimensionale vorm
creëren om de oervorm concreet zichtbaar te maken. Ik stelde me
voor dat ze uit gas is ontstaan. Daarom heb ik een vorm ontworpen die
geblazen kan worden als een glasobject.
Het
creëren van het object was voor mij moeilijker dan ik dacht. De
vorm ervan is onderhevig aan groei zodat het object voortdurend nieuwe
vormen aanneemt. In hoeverre verschillen de beide helften van elkaar en
wat is de maatverhouding? Worden de twee delen - of de restvorm
daartussen - niet te rond, niet te scherp?
Verder is de
oervorm pneumatisch. Vanuit de oorsprong kan hij verschillende
gedaantes aannemen, afhankelijk van de hoeveelheid lucht die wordt
toegevoegd. Ook luchtdrukverschillen werken er op in. Hierdoor kunnen
de vormen die van de oervorm zijn afgeleid voortdurend alle mogelijke
gestaltes aannemen, zelfs een rechte lijn of een vierkant.
De oervorm
meandert, gaat mee met de stroom. Hij is flexibel en conformerend. De
oervorm is eindeloos te veranderen. De mogelijkheid om voortdurend
vanuit deze vorm te scheppen ligt er voor mij in besloten. Van daaruit
ontstaan afgeleide vormen of gedaantes als producten van waaruit ik kan
bouwen en toveren. De vormen zijn er; ik laat ze zien en pas ze toe. De
ene keer gebeurt dit met groot succes en biedt de vorm de mogelijkheid
tot ongebreideld interpreteren op betekenissen. Een andere keer
ontstaat er een vorm die geen andere betekenis heeft dan de gestalte
waarin zij zich aan ons laat zien. Hierin liggen de mogelijkheden en de
beperkingen van de vorm besloten.
Amsterdam, 26
juli 2010
Vincent van Oss
|